| Opdracht | Hieronder vind je drie recensies over De kroongetuige. - Je bestudeert in het Basisboek literatuur de paragraaf 'Recensenten'.
- Markeer met een stift in elke recensie de waardering/beoordeling, die de recensent heeft vermeld. Let op dat waardering zowel positief als negatief kan zijn. Markeer ook de argumenten die door de recensent worden genoemd bij zijn/haar waardering.
- Maak een overzicht per recensie van deze waardering en de gebruikte argumenten.
- Geef aan welke recensie het meest overeenkomt met jouw waardering en licht dit toe in 200 tot 300 woorden.
Een deel vlees en een deel vis René Appel, in: NRC Handelsblad, 11februari 1983 De kroongetuige is vaak spannend; de plot is weliswaar niet volledig bestand tegen logische analyse, maar bevat wel zoveel verrassende vondsten, dat de lezer zichzelf de klassieke detectivevraag gaat stellen: hoe zit het in elkaar? De leidende thema's jaloezie en kinderloosheid worden goed uitgewerkt en met elkaar verweven. De perspectiefverschuiving is overtuigend en functioneel: het eerste deel wordt vanuit Thomas verteld, en via een briefwisseling tussen Thomas en Leonie wordt zij de ik-verteller. Wat Thomas weet over de nacht van de moord, blijft zo voor de lezer verborgen, waardoor de spanningscurve flink kan blijven stijgen. Toch overtuigt het boek niet helemaal. Dat wordt bepaald niet alleen veroorzaakt door de knarsende stijl waarin bepaalde stukken zijn geschreven ("Tegenover me zag ik dadelijk een gestalte oprijzen. Die daarginds, was ik dat wat zo heette?"). De roman en de thriller in het boek botsen te vaak op elkaar. Ze hebben verschillende belangen, en wat misschien erger is: verschillende uitgangspunten. Het probleem is dat 't Hart het klassieke detectiveverhaal als voorbeeld heeft genomen, inclusief een mysterieus verdwenen lijk, de overheersende whodunnit-vraag en een explicatie aan het eind. Het verhaal mist de psychologische ontwikkelingen die de thrillers van Highsmith interessant maken, en die ook voor aansluiting bij de literaire roman De kroongetuige hadden kunnen zorgen. Het is nu net of de vlakke criminele intrige verhindert dat het literaire aspect goed uit de verf komt. Een extra nadeel is dat 't Hart als schrijver niet zozeer iets te vertellen heeft, als wel ergens mee wil afrekenen: zijn jeugd, het geloof, vrouwen, enz. Hij beweert en betoogt iets, bijvoorbeeld over kinderloosheid, en durft nooit impliciet te blijven. Het gevolg is dat de spanning van de thriller nergens voelbaar is in de roman. 't Hart vecht ook weer zijn zoveelste ruzietje uit met de vrouwenbeweging. In 1979 zei hij zal tegen Bibeb dat hij dolgraag naar het vrouwencafé in Leiden wilde. "Dat moet wel erg leuk zijn. Ik wil weten hoe het er daar toe gaat, wat ze tegen elkaar zeggen." Recentelijk heeft hij nog beweerd dat hij zich een spionagetocht in het Leidse Vrouwenhuis heeft veroorloofd, en de bevindingen zouden te lezen zijn inDe kroongetuige. Ik kan echter nauwelijks geloven dat het verhaal waar is, want hij produceert alleen de meest banale, karikaturale clichés, en een bioloog als 't Hart moet toch beter kunnen observeren? Zo wordt in het vrouwenhuis gediscussieerd over het feit dat er twee politiemannen binnen zijn gekomen. "Ja, het was alleen maar bedoeld om ons te provoceren." "Wij vrouwen zijn altijd het slachtoffer." "Ja, expres twee mannen op ons afsturen." "Zullen we een protestbetoging organiseren voor het politiebureau?" "Nee, laten we een boze brief schrijven aan de gemeenteraad." "Wat heeft dat voor zin? We moeten de landelijke pers inschakelen." En dan probeer ik me verder maar niet te storen aan de stuitende onnatuurlijkheid van deze pseudo-spreektaal. De kroongetuige bevat nog een afrekening, namelijk met een aantal redacteuren van NRC Handelsblad. Al eerder had 't Hart aangekondigd dat allerlei mensen aan wie hij een hekel had, in het boek voor zouden komen. De politie-inspecteur Jozef Lambert, soms kwaadaardig, soms innemend, zou gemodelleerd zijn naar K. L. Poll. In zijn domme, serviele, met "propperig krulhaar" getooide hulp Krijn Meuldijk schijnt Reinjan Mulder zich te mogen herkennen. De hoofdcommissaris die gebaseerd zou zijn op hoofdredacteur Spoor, is vrijwel volledig uit het boek verdwenen. Wie saillante informatie verwacht, moet ik teleurstellen, of de in het eerste deel voortdurend begeesterd heen en weer zwaaiende stropdas van Lambert moet als opzienbarend worden beschouwd. Misschien dat het thriller- en het romandeel van De kroongetuige beide voor 75% gelukt zijn. Dat betekent echter nog niet dat het een geslaagd boek is, want helaas geldt hier hetzelfde als bij de kansrekening: de percentages mogen niet worden opgeteld, maar moeten met elkaar worden vermenigvuldigd, wat neerkomt op ruim 50%. Verder heeft 't Hart nog eens overtuigend aangetoond hoeveel een misdaadroman verschilt van een literaire roman. Maar wat misschien belangrijker is: de Nederlandse literatuur is een boek rijker dat tenminste niet saai is. | 't Hart schrijft; maar blijft-ie? Ad But, in: Winschoter Courant, 19 februari 1983. Maarten 't Hart als detectiveschrijver. Als zovelen voor hem, heeft deze auteur van Het vrome volk, Een vlucht regenwulpen en andere manifesten tegen de kille doodsdrift van gereformeerde opvoeders uit de eerste helft van deze eeuw, de vorm van het detectiveverhaal gekozen voor een publicatie van de meest uiteenlopende ideeën. 't Hart heeft geen moeite met het componeren van een aanvaardbaar verhaal. Evenmin ontspoort hij opvallend in een consistente bewijsvoering. Allemaal prima dus. En toch is De kroongetuige een boek met een luchtje. Het is het luchtje van een verkeerd verpakt artikel. De vorm is die van een detective, de inhoud deels niet. 't Hart heeft in het - overigens beslist niet opzienbarende - verhaal een aantal bijlijnen geweven, waardoor een oneigenlijke inhoud in de gebruikte verpakking is terecht gekomen. Nu zou dat nog niet zo'n bezwaar zijn als die zijsprongen niet essentieel waren. Maar de ideeën van 't Hart, die de essentie van zijn schrijverschap inhouden, bevinden zich juist in die oneigenlijke stukken: als krenten in de mayonaise. En aangezien daarin geen krenten horen, blijft bij uitzeven een wat glibberige substantie over: eenheid zonder vorm, zich schikkend naar waar het invalt. Zo zit De kroongetuige in elkaar: een skelet van denkbeelden omvleesd met een stroperig verhaal. En toch smakelijk. (....) Wie nu precies wat gedaan heeft houdt 't Hart tot de laatste bladzijden verborgen. Ook de titel blijft lang onverklaard en is op het laatst nog meerduidig. Een uitstekende compositie. Nu de krenten: 't Hart doet meer dan alleen over zijn personen praten, hij laat ze ook bizarre dingen doen. Leonie spant wel de kroon met haar reacties op de vrouwenpraatgroep waarvan Jenny ook nogal eens deel uitmaakte. 't Hart maakt haar kinderloos en laat haar intens droevig fulmineren tegen vrouwen die strijden voor vrije abortus en die praten over postnatale depressies. Verder neemt hij stelling tegen de dierproeven in het laboratorium, waar een medewerker geen trek meer heeft in het laten hongeren van ratten die met drugs tot kannibalisme moeten worden opgewekt. Hij schijnt zich te ergeren aan muziek van Schumann, aan stropdassen (naar Jillenius' zeggen opgevoerd door de Noormannen, om wie de regels overtrad onmiddellijk te kunnen opknopen), aan vrouwen die met zichzelf bezig zijn - in tegenstelling tot de Turkse vrouwen in het vrouwenhuis die met de afwas bezig zijn - aan geldverspilling in het wetenschappelijk werk en aan nog zoveel zaken waarvoor een gewoon mens zich nauwelijks de tijd gunt zich er aan te ergeren. Daarbij komt dat het hele thema, trouw in lief en leed, nogal abstract wordt behandeld. De relatie tussen Leonie en Thomas blijft een merkwaardige: de auteur overtuigt nergens in het waarom van de wederzijdse trouw. Alle argumenten om deze relatie te beëindigen worden aangevoerd en toch... Nou ja, ook 't Hart is niets menselijks vreemd. Voeg daarbij de vaak wrakke dialogen, de wat vreemd aandoende behoefte van de schrijver om via zijn personages de erudiete figuur uit te hangen en de soms dilettantistische taalvormen (betrekkelijke bijzinnen die met 'welke' beginnen, de puntjes achter een niet afgeronde dialoog, de te pas en te onpas gebruikte stoplappen als 'Nu, ja, wacht' en dergelijke, en de soms theoretiserende en abstracte innerlijke monologen) en het zal duidelijk zijn dat 't Harts roman een rommelig geheel te zien geeft. Rommel met daartussen wat fraaiigheid, een bekend verschijnsel bij deze auteur. In een recensie van zijn verhalenbundel De zaterdagvliegers constateerde ik al dat 't Hart te veel heeft geschreven om nog met een krachtig boek te kunnen komen. Het blijkt nu een juiste constatering geweest te zijn. 'Wie schrijft die blijft' is een bekende zegswijze; bij 't Hart zou het wel eens zo kunnen zijn, dat hij met zijn doorschrijven zichzelf wegschrijft. En dat is jammer, hij kan - als hij zichzelf de nodige beperkingen weet op te leggen - nog jarenlang mee als een redelijk interessante auteur. | Detective vol schijn en wezen Wim Vogelm in: Haarlems Dagblad, 11 februari 1983, leder jaar, vlak voordat de zomervakanties beginnen, bevat de boekenbijlage van Vrij Nederland uitsluitend informatie over detectives. En terecht, want het schijnt dat een kwart van wat er ter wereld aan fictie wordt geschreven tot de misdaadliteratuur behoort. In de laatste aflevering, die van juni 1982, schreef Maarten 't Hart het te betreuren dat er een splitsing is opgetreden in het schrijven van fictionele verhalen en romans: Op moord en liefde zijn gewone en misdaadromans uiteengegaan. Niettemin kan de eerste soort heel wat van de tweede leren: flitsende dialogen, beschrijvingen van de ruimte en bovenal de manier waarop de spanning wordt opgebouwd. Wanneer je het werk van Maarten 't Hart toetst op deze uitspraken dan blijkt dat hij al veel van zijn wensen gerealiseerd heeft. Zijn boeken munten sinds jaar en dag uit door snelle en geestige dialogen, ruimte wordt door hem altijd uitvoerig en met veel oog voor details beschreven en aan spanning, die eenvoudige wens te willen weten hoe iets afloopt, ontbreekt het maar zelden. In De kroongetuige combineert 't Hart deze kwaliteiten met de specifieke kenmerken van de literaire roman: de uitvoerige psychologie van de verhaalfiguren. En het resultaat liegt er niet om! De kroongetuige is een goed geschreven, soms humoristisch en altijd spannend boek waar allerlei voor onze samenleving relevante zaken in mee spelen, zodat het boek door zeer velen gewaardeerd zal worden. Rekening houdend met die zeer velen zou het wel bijzonder flauw zijn als ik het plot van de roman uitvoerig uit de doeken zou doen. U zult van mij dus niet te lezen krijgen wie er verantwoordelijk voor is dat Jenny Fortuyn, een ruim twintigjarige bibliothecaresse, spoorloos verdwijnt. Leonie is de echte hoofdpersoon van de roman. Niet alleen doordat we driekwart van het verhaal door haar ogen meemaken, maar vooral doordat de auteur door háár het eigenlijke thema gestalte geeft. Dat thema zou, enigszins uitgebreid, als volgt kunnen luiden: man en vrouw voelen zich na een twaalfjarig kinderloos huwelijk schuldig ten opzichte van elkaar. Er ontstaat een crisis, omdat de man verliefd wordt en beschuldigd wordt van moord. Het alleen-zijn dat daardoor ontstaat werkt voor beiden zuiverend en bevat de kiem voor een huwelijk dat wellicht niet langer kinderloos zal blijven. Gegeven dit thema is het begrijpelijk dat 't Hart rijkelijk strooit met motieven die we ook uit ander werk van hem kennen: schuldgevoel, jaloezie, het bedrieglijke van de werkelijkheid. Dát Thomas immers iets met Jenny Fortuyn gehad heeft, staat voor Leonie vast. Maar wat? Zij komt er achter dat Jenny met haar voorkeur voor popmuziek, voor drugs, voor cafés, voor slordigheid, voor promiscuïteit niet het type is waar Thomas voor valt. Thomas beweert dan ook verliefd te zijn op haar spiegelbeeld (overigens een opvallend leidmotief), hij klampt zich aan een illusie vast en heeft daardoor niet in de gaten dat de werkelijke Jenny een heel andere vrouw is. 'Zij is als Vrouwe Fortuna, grillig, onberekenbaar en slimmer dan diegene die zij betovert. Met haar opvallende witte laarsjes lijkt zij op Angéla uit De droomkoningin die ook tijdelijk een man wist te bekoren. Niettemin heeft de pseudoverhouding, heeft de ontrouw die halverwege blijft steken, ook een zuiverend effect op Thomas. Hij realiseert zich dat hij ook verliefd op Jenny geworden is, omdat zij wél kinderen krijgen kan, dat bewijzen immers haar twee abortussen, zodat Jenny en Leonie behalve elkaars spiegelbeeld ook nog elkaars tegenpolen zijn. Helemaal spreekt Thomas zich echter niet uit. Op het einde van de roman blijkt hij veel meer te weten dan iedereen vermoedde; hij blijft een zwijgzame, wat mysterieuze figuur. Veel meer inzicht krijg je in Leonie. Zij bezoekt alle cafés waar Thomas met Jenny geweest is, zij wil alles van haar weten: hoe was ze, wat dacht ze, wat deed ze, wie kende ze? Leonies zoeken krijgt allengs de allure van een op zoek zijn naar antwoorden op voor haar essentiële, welhaast existentiële vragen. Wat is de zin van haar kinderloos bestaan? Wat is de basis van hun kinderloos huwelijk? Als zij op haar tochten in een vrouwenhuis belandt, waar Turkse vrouwen overigens de afwas doen, zegt zij tot haar eigen verbazing en in ieder geval tot verbijstering van de feministische vrouwen: 'Het leven is de som van alle tegenslagen, van alle verdriet dat je ervaart, en het hebben van kinderen hoort zo hevig bij tegenslag en verdriet dat het is alsof je aan de buitenkant van het leven staat als ze er niet zijn.' Een kind zou voor haar de zingeving van haar leven betekenen, zou voor haar alles in evenwicht brengen. En het is Thomas die zijn onvruchtbare vrouw uiteindelijk toch de laatste mogelijkheid voorstelt: een reageerbuisbaby. Tijdens zijn hechtenis heeft hij een bericht daarover uit de krant gescheurd en zorgvuldig in zijn portemonnee bewaard. Dezelfde portemonnee overigens waaruit Jenny de sleutel ontvreemdde van Thomas' laboratorium. Zodat ook op dit niveau voldoende spiegeleffecten en contrasten aanwezig zijn. Het is overigens wel vreemd dat Thomas dat bericht heeft kunnen uitscheuren, want op pagina 70 lezen we dat hij absoluut geen krant mag lezen! De kroongetuige bevat, zoals welhaast iedere detective, een klassieke structuur: de vijf hoofdstukken houden zich keurig aan de inhoudelijke eisen die al door de oude Grieken eeuwen geleden zijn geformuleerd tot en met de catharsis, de zuivering in het laatste hoofdstuk toe. De enige variatie die 't Hart zich veroorlooft is de eerder genoemde verandering in de vertelsituatie. In deze klassieke roman heeft ook alles weer een functie, gebeurt er niets zomaar. Met kennelijke instemming parafraseert de schrijver een opmerking van Willem Frederik Hermans (en van de bijbel) dat in een klassieke roman alles betekenis heeft, dat geen mus ter aarde valt zonder de wil van God, de wil van de schrijver. Veel van de kritiek die 't Hart de laatste jaren op zijn werk gekregen heeft (te weinig engagement, te sentimenteel, overbodige beschrijvingen, zwakke stijl), zal na lezing van De kroongetuige verstommen. Want afgezien van het soms wat al te gemakkelijke effect (het vrouwenhuis, de rechercheurs, opmerkingen over Hannemieke Stamperius) is deze nieuwe versie van het oude spel van schijn en wezen nergens oppervlakkig, maar integendeel spannend, boordevol flitsende dialogen en in een verrassend zakelijke stijl geschreven. | |