Dimensies | Indicatoren | Toelichting | complicerende factoren |
Algemene vereisten | Bereidheid | Perenbomen bloeien wit vraagt geen grote bereidheid van de N1-lezer. Allereerst door de omvang van het boek (137 pagina's), ten tweede door de heldere structuur. De heldere perspectiefwisselingen en tijdsprongen vormen geen obstakels voor de lezer. Daarnaast trekt het verhaal direct de aandacht. Het verhaal komt snel op gang, doordat meteen duidelijk wordt dat er iets is gebeurd. |
| | Interesses | De meeste leerlingen van N1 en N2 zijn gek op dramatische verhalen als Perenbomen bloeien wit. Zij vinden het heerlijk om zich mee te laten slepen in een sentimenteel verhaal dat waar gebeurd zou kunnen zijn. De N1-lezer zou de beschrijving van het ongeluk wel als schokkend kunnen ervaren, evenals de keuze van Gerson om uit het leven te stappen. Lezers op N2 en N3 zien dit laatste waarschijnlijk eerder aankomen. Ook het feit dat de personages qua leeftijd niet veel verschillen met beginnende middelbare scholieren, zal er aan bijdragen dat leerlingen op N1 en N2 dit verhaal graag lezen. Ze kunnen zich met de personages identificeren, al lijken ze door hun woordkeus en gedrag wat jonger dan de zeventienjarigen die zij moeten voorstellen. Dit laatste zal met name de N3-lezer opvallen. |
| | Algemene kennis | Het verhaal speelt zich af in de polder, een plek die niet voor alle leerlingen herkenbaar zal zijn. De sfeer van het gelukzalige gezinnetje in de polder en de omgeving worden echter zo duidelijk omschreven dat het geen probleem zal zijn voor de N1-lezer om zich daar een voorstelling van te maken. |
| | Specifieke culturele en literaire kennis | De leerling moet de perspectiefwisselingen begrijpen, maar die zijn zo expliciet uitgewerkt dat dat geen probleem zal vormen voor de lezer op N2 en N3. De N1-lezer zal hier wel af en toe bij stil moeten staan, maar hij zal al snel kunnen achterhalen vanuit welke persoon het verhaal verteld wordt. Verder heeft de lezer geen specifieke literaire en culturele kennis nodig om het verhaal te kunnen begrijpen. |
Vertrouwdheid met literaire stijl | Vocabulaire | Het woordgebruik is nergens lastig voor de lezer op N2 en N3. De lezer op N1 komt slechts een enkele keer een woordje tegen waarvan hij de betekenis niet zal kennen. De lezer op N3 kan het taalgebruik van de tweelingbroers hier en daar wat kinderachtig vinden voor zeventienjarigen. |
| | ZInsconstructies | Het verhaal bestaat voornamelijk uit korte zinnen, ook korte dialogen, die goed te begrijpen zijn voor de lezer op N1 en N2 en eenvoudig zijn voor de N3-lezer. |
| | Stijl | Er is een duidelijke afwisseling tussen beschrijvingen en dialogen. Leerlingen zullen door het taalgebruik van Bakker goed in staat zijn het verhaal te visualiseren en dat maakt het verhaal goed te lezen voor de N1-lezer. |
Vertrouwdheid met literaire procedés | Actie | De spanning in het boek zit vooral op verhaalniveau. N1- en N2-lezers zullen zich vooral afvragen of Gerson wakker wordt. De N3-lezer zal zich daarnaast afvragen hoe Gerson, zijn broers en vader het leven oppakken als Gerson blind blijkt te zijn en hoe Gerson komt te overlijden. De N1-lezer zal niet vanaf het begin doorhebben dat Gerson doodgaat, dit zal voor hem redelijk onverwacht komen. De N3-lezer leest dit al in de eerste regels van het verhaal. De spanning voor deze lezers zal zitten in de wijze waarop de schrijver naar Gersons dood toewerkt. |
| | Chronologie | Het verhaal is één grote terugblik, die in chronologische volgorde wordt verteld. De N1-lezer zal het verhaal kunnen lezen alsof het zich in het nu afspeelt. Misschien zal hij niet alle verwijzingen die aangeven dat het om een terugblik gaat, oppikken. Dit vormt geen probleem, omdat de terugblik chronologisch verteld wordt. De lezer op N2 en N3 heeft deze opbouw wel door. |
| | Verhaallijn(en) | Er is één verhaallijn. Het verhaal van Gerson, die blind wordt, wordt verteld vanuit verschillende personages: Gerson zelf, Klaas, Kees en Daan, de hond. |
| | Perspectief | Er zijn drie vertellers in Perenbomen bloeien wit: de tweeling (Klaas en Kees), Gerson en Daan, de hond. Er is dus sprake van een meervoudig perspectief. De N1-lezer zal misschien niet doorhebben dat Klaas en Kees samen aan het woord zijn. De N3-lezer zal het ongeloofwaardig kunnen vinden dat er een hoofdstuk vanuit de hond wordt beschreven. De wisselingen van perspectief zijn zo duidelijk dat ook een N1-lezer hier geen moeite mee zal hebben. Hij zal af en toe even moeten bedenken vanuit wie er wordt verteld, maar zal dit wel kunnen reconstrueren. |
| | Betekenis | De N3-lezer zal zich verdiepen in het gevoelsleven en het handelen van de hoofdpersonen. Wat betekent het om blind te zijn voor jou en je familie? Wat doet dit met je? Hij zal daarnaast een aantal andere thema's uit het verhaal kunnen halen die lezers op N1 en N2 misschien zullen missen, zoals eenzaamheid en homoseksualiteit. Ook het frequente gebruik van het woordje 'zwart' en de betekenis hiervan is sneller te duiden door een N3-lezer. |
Vertrouwdheid met literaire personages | Karakters | De personages worden realistisch beschreven. De N1-lezer krijgt een helder beeld van de personages en kan ze zo voor zich zien. De tweeling lijkt soms wat kinderlijk voor hun leeftijd. Met name de N3-lezer zal dit opvallen. De lezers op N1 en N2 zullen dit niet opmerken en er al zeker geen aanstoot aan nemen. |
| | Aantal karakters | Er is sprake van een beperkt aantal personages: Gerson, zijn broers, hun vader en de hond. Ook het aantal bijpersonen is beperkt en voor de lezer op N1 zeker behapbaar (moeder, opa en oma en Harold). |
| | Ontwikkeling van karakters | Als lezer krijg je een duidelijk beeld van de Gerson voor het ongeluk en de Gerson na het ongeluk. Je ervaart hoe een persoon kan veranderen en hoe de verhoudingen in een gezin kunnen veranderen na een ingrijpende gebeurtenis. Voor lezers op N2 is het een uitdaging deze verandering te onderzoeken. N3-lezers kunnen ook reflecteren op deze karakterontwikkeling. |